Wist je dat ..

Deelnemers aan de workshop mochten hun reactie op een poster schrijven:
  • Erg leerzaam!
  • Leuk en leerzaam, leuk mens ook!
  • Erg leuk, veel geleerd, m.n. RUST, zeker voor herhaling vatbaar!
  • Inspirerend, gaaf, geweldige performance van Anke.
  • Verrassend
  • Leuk om te ervaren wat goed voorlezen met een kind kan doen!
  • Was heel erg leuk!
  • Erg leuk
  • Leuke "aanvulling" en leerzaam!
  • Inspirerend, sprankelend, boeiend!
  • Veel van opgestoken op een manier dat je ook blijft onthouden.
  • Een openbaring om te zien wat je met je stem, lijf en mimiek kunt doen tijdens het voorlezen! Super!
  • Leuk, doorgaan! Ook in Varsseveld
  • Inspirerend beeldend.
  • Heel erg leuk! Heb er erg van genoten! Voor herhaling vatbaar!
  • Jammer dat er maar zo weinig konden voorlezen (mede door de kleine onderbreking over voorlezen in een buitenlandse taal)
  • Dat stemgebruik en mimiek zoveel kan doen!
  • Voorlezen met meer Rust erin!
  • Ga het morgen meteen proberen en kijken wat het met de kinderen doet!
Stichting Fidessa Welzijn
Ulft
Juli 2009


Anke Kranendonk is auteur, acteert en geeft workshops over voorlezen. Voor Leeskraam vertelt ze aan de hand van Wat nu Olivier? - hetPrentenboek van het Jaar 2005 - hoe je kunt voorlezen met effect.


In Anke's sfeervolle woonkamer praten we over voor­lezen. Het is een onderwerp waar ze duidelijk warm voor loopt. Ze geniet van het geven van workshops, vooral die aan de leesopa's en oma's. Ze begint met een kleine warming-up, losmaken van spieren, hoofd en stem. 'Als je ontspannen bent, kun je geconcentreerder voorlezen', zegt ze. 'Je weet dan wat je voorleest. Je hebt er al een beeld van. Dan komt het des te beter over.' Betekent dat dan je het boek van te voren moet lezen? Anke vindt van wel. 'Ik raad iedereen die gaat voorlezen aan het boek - zeker een prentenboek - eerst een keer te lezen. Om een aantal redenen. Je moet zelf het boek leuk vinden. Het hangt er van af wat goed 'bekt'. Bovendien weet je als je het gelezen hebt zelf al waar je naar toe gaat. Ik lees bij het voorlezen eigenlijk zelf altijd een zin vooruit. Dus ik weet wat er komen gaat. Plus dat ik me er een beeld bij maak.' Op tafel ligt het Prentenboek van het Jaar Wat nu Olivier? van Phyllis Root en Christopher Denise (Lemniscaat). Het is een prentenboek met grote platen en korte tekstjes over een beertje dat een dwarrelend blad achterna loopt en verdwaalt. Anke pakt het boek om te laten zien wat ze bedoelt. Ze leest de eerste regel voor: Mamma hangt de was op. 'Het gaat om het gevoel dat je erbij hebt. Je kunt jezelf dat ook zien doen terwijl je voorleest. In je hoofd zie je mamma de was ophan­gen. Als je zegt "mamma hangt de was op" zit er in je lijf een beweging van: was pakken, uitrekken en de was ophangen. Zodra je je dat voorstelt, komt er zonder dat je iets doet al een soort elastiek in je stem.' 
Ze leest verder: 'Pappa harkt de bladeren bij elkaar. Het is eigenlijk een informatie. Meer hoeft het ook niet te zijn. Je hoeft er geen emotie in te leggen, maar doordat je het je voorstelt, krijgt het iets kleur. En die kleur is precies genoeg. Meer is er helemaal niet nodig bij het voorlezen.'
Inleven is dus ook overbrengen.
Anke: 'Ja. In het theater geldt dat iedere zin uit de tekst er niet voor niets is. Dus je gaat kijken wat er van iedere zin de bedoeling is. Wat wil je over laten komen? In feite is dat met voorlezen ook het geval. Je wilt een situ­atie creëren. Mamma hangtde was op en pappa harkt de bladeren bij elkaar. Wat is dat voor sfeer? Wat krijg je daar voor gevoel bij? Ik krijg daar een rustig gevoel bij. Het is vertrouwd. Zaterdag, pappa thuis, mamma thuis. Ze zijn allemaal aan het scharrelen in de tuin. Met die sfeer wordt het boek neergezet.'

Iedere zin is er niet voor niets, zeg je. Maar leidsters of docenten vinden soms de tekst te moeilijk en veranderen die.
Anke heeft er een dubbel gevoel over. Iets verbasteren vindt ze erg. 'Een taal is kleurrijk, heeft veel woorden, een groot vocabulaire. Het is helemaal niet erg als een kind een keer een woord niet begrijpt, als de sfeer maar overkomt. Sommige woorden moet je wel even uitleg­gen of je praat erover. Wie weet wat een 'woud' is? Laat ze maar raden. De een zegt een bout, de andere een schoen. Je legt uit dat het een ander woord voor bos is. Een diep, donker bos. Mooi, dan heeft het kind er een woord bij. Ik heb een keer een kleutervoorstelling gespeeld met een zangeres. We hadden allemaal liedjes en gedichtjes. Een liedje uit de Balkan, uit Mrika, in de oorspronkelijke taal. Maar na zo'n liedje kwam er dan weer een van 'alles in de wind' of iets anders. Er waren momenten van herkenning, maar ook vreemde. Het was een soort emotie die op de kinderen af kwam, een associatieve voorstelling. Maar er is natuurlijk ook didactiek. Je wilt iets overbrengen. Een kind hoeft niet alles te begrijpen, maar je moet het wel boeien. Het enige crite­rium is: wat zegt jóuw kinderhart? Als de kinderen elkaar na twee minuten allemaal snoepjes in de oren gaan stoppen, komt het blijkbaar niet over.'

Er spreekt veel ervaring uit wat je zegt. Maar er zijn ook leidsters die pas beginnen met voorlezen. Je moet het ook durven. 
'Leidsters in opleiding die het heel eng vinden om een groep van tien kinderen voor te lezen, kunnen beter beginnen met een op een voorlezen, of een op twee, drie. Dan hoef je niet meteen bezig te zijn met het boek, hoe kom ik over, tuimelen de kinderen niet van de bank af, enzovoort. Breid het daarna uit, als je het leuk vindt. Wat is er heerlijker dan voorlezen met een kind op schoot of vlak naast je en te ontdekken dat zo'n kind daarvan geniet! Dit boek - Wat nu Olivier? - is echt een boek waar je niet bang voor hoeft te zijn. De platen laten zien wat er aan de hand is. Je kijkt lekker samen met het kind. Olivier gaat het blad achterna, de heuvel af. Het is écht een lange heuvel! Pak zo'n boek en kijk wat je er mooi aan vindt, of wat het voor herinneringen bij jezelf oproept. Ik moet denken aan de logeerpartijen bij mijn oma, die een bungalow had aan de rand van het bos. En als ik daar liep tussen de bomen had ik ook wel eens iets van: waar is iedereen? Dat is hier ook het geval.' 

Dan wordt het spannend. Wat doe je met spanning
'Eigenlijk hoef je niet veel te doen aan spanning. Dat doet de tekst al.' Leest: 'Dat is niet de struik met de rode blaadjes. Helemaal alleen aan de rand van het bos begint Olivier te huilen. Hij is verdwaald. Je kunt het echt zielig maken, maar het hoeft niet. De informatie alleen is al voldoende, zeker bij jonge kinderen. Ondersteunen met gebaren is ook niet altijd nodig. Met voorlezen kun je met je stem van alles doen. Je gezicht gaat vanzelf mee. Dat is gewoon meer dan genoeg. Met je stem hoef je trouwens ook niet zoveel te doen. Als je zegt (doet overdreven): "Hij is zó verschrikkelijk verdrietig!" zegt iedereen: "Hou nou maar op met je verdriet!" Je moet ruimte laten voor je publiek om eigen emoties te hebben. Als je de ellende van verdwaald zijn te erg maakt, kan een kind er niets meer mee. Kinderen hebben zelf alle emoties in zich. Ze kunnen ze alleen nog niet benoemen.'

Hoe sluit je het voorlezen af? 
'Laat het kind meekijken zodat het even kan bezinken. Aan het eind begint het boek eigenlijk gewoon weer opnieuw. Dan gillen ze allemaal: "Nog een keer!" En als je het dan vaker voorleest, kun je zeggen: "Wat denk je? Gaat Olivier er nog een keer achteraan?'" 


Tekst en foto: Margriet Chorus 


Anke Kranendonk geeft workshops over voorlezen. Ze zijn bestemd voor docenten, peuterleidsters, en voor 50-plussers. De workshops bieden veel gelegenheid het voorlezen te oefenen. Tevens geeft zij presentatie workshops
 
terug