Geboren

Geboren Op 16 mei 1959 ben ik geboren, thuis, in mijn vaders armen. Ik heb twee oudere broers, en na ruim twee jaar kreeg ik een zusje.

Toen ik zes jaar was, verhuisden wij naar een groot huis, zodat mijn oma bij ons in kon wonen. Het was een spannend huis, waar je helemaal omheen kon lopen. Rondom het huis lagen grindpaden die zo knerpten, dat je voortdurend dacht dat je omsingeld werd door boeven. Zeker ’s avonds laat!

Bij mij thuis

Bij mij thuis Onze achtertuin was ruim 30 meter lang. Al gauw stond die vol met een wip, schommel, rekstok, ringen, geiten, schildpadden, vogelkooien, dierenhokken, en… een klein zwembad. Op de verrotte perenboom had mijn vader een duikplank gemaakt, en hoewel het bad maar 1.10 diep was, doken we voor- en achterover in het water en sprongen salto's dat het een lieve lust was. Ook doken we wel eens van het dak van het duivenhok van de buurman. Hij was daar niet blij mee en was een keer zo boos op ons dat hij een hele lading duivenpoep in het zwembad heeft gegooid! 

Schrijven

Schrijven Als kind was ik niet zo'n verhalenschrijver, soms schreef ik iets voor in de schoolkrant, en dan alleen als ze me erom vroegen. Ik klauterde liever in bomen, speelde in het zwembad en haalde veel kattenkwaad uit, samen met mijn vriendinnetje Desi. Ik moest dan altijd zo erg lachen, dat ik na het belletje trekken niet op tijd bij de voordeur vandaan was, en meestal in mijn kraag gevat werd. 
Ook ging ik wel eens chocola pikken, uit grote machines van de Ruyter's chocoladehagelslagfabriek. Dat was ontzettend spannend, kruipend van de ene machine naar de andere, totdat je bij die grote bak met chocola kwam. Als ik dan een grote bal te pakken had, en met mijn mededieven buiten liep, at ik van de chocola. Maar het was zo zoet, dat ik er nooit veel van op kon, en misselijk bij mijn moeder aan de lunch verscheen. Dat de klont cacaoboter (want dat was het) eigenlijk niet te eten was, maakte niets uit; de spanning, en de angst om gepakt te worden, dat was het leukst! 
Ik ging naar een christelijk lyceum, in de stad verderop. Het was een uur fietsen. Waarom dan niet op het lyceum in mijn woonplaats? Mijn ouders vonden dat niet christelijk genoeg, een nette school zou de opvoeding ten goede komen. 
Ik was niet het braafste meisje van de klas. Dat zeg ik netjes, ik was een ramp voor iedere leraar. Ik was niet brutaal, maar ik had altijd veel plezier met klasgenoten. Zeker toen ik in de 4e klas kwam waar ik voornamelijk wiskunde en andere leuke, maar ingewikkelde vakken kreeg. In de klas zaten veel jongens, allemaal heel serieuze hardlerende heertjes, die nu allemaal goede beroepen hebben, veel geld verdienen en in een donkerblauwe auto rondrijden. Ik heb ze het leven zuur gemaakt. 
Vlekkeloos verliep mijn lyceumtijd niet, ik ben twee keer in de zelfde (die 4e) klas blijven zitten. Het eerste jaar omdat ik te weinig deed, het tweede jaar omdat ik liefdesverdriet had. Ook had ik vaak hoofdpijn, nadat ik, achterop de brommer van mijn broer gezeten, over de kop vloog en boven op mijn hoofd belandde. 
Uiteindelijk ben ik van het atheneum naar de HAVO gegaan, heb het HAVO diploma behaald, en ben ik naar de Sportacademie gegaan. 
Op de Academie voor Lichamelijke Opvoeding en Sport startte ik in september. In oktober scheurde ik een bot in mijn voet waardoor ik zes weken in het gips kwam te zitten. Begin december kwam ik eruit. Eind december had ik zo'n pijn in mijn rug dat ik niet meer lopen kon. Enfin, die Academie zou ik nooit kunnen volhouden, en eerlijk gezegd had ik ook niet zo'n zin om mijn hele leven alleen maar met sport bezig te zijn. Ik ging eraf. 
Toen klapte mijn enkel dubbel, zes weken gips. Moest daarna geopereerd worden, weer zes weken gips. Daarna bleek ik ook geen enkelbanden meer te hebben in mijn andere been, weer geopereerd, weer zes weken gips. Je begrijpt dat dat geen leuke tijd was. Het deed allemaal veel pijn, en ik, die zo van sporten hield, kon niets meer doen. In die tijd heb ik heel wat truien gebreid!

Wat nu?

Wat nu? Ik wilde naar de toneelschool, of Nederlands gaan studeren, of Pedagogiek. Ik wist het niet zo goed, en besloot de Pedagogische Academie te gaan doen. Ik studeerde om juf te worden in het basisonderwijs. Maar… dat wilde ik helemaal niet worden! Het enige dat ik dan ook deed, was verhalen voorlezen en liedjes zingen. Ik vond dat heerlijk om te doen, de kinderen ook, alleen de juffen en meesters vonden dat ik braaf uit de rekenboekjes moest werken. Toch heb ik de Academie afgemaakt en heb ook daarvan een diploma behaald.
Ik was juf en ging toneelspelen. Ik zag ergens een groepje spelen en vroeg of ik mee mocht doen. Dat heb ik gedaan, maar ik was ambitieus. Ik wilde meer dan zo af en toe voor de lol spelen. Ik ging lessen volgen, toneel, beweging, spraak, improviseren, scènestudie (dat is een stukje uit een toneelstuk), cameralessen, en nog veel meer. Op een gegeven moment werd ik door een regisseur gevraagd om de hoofdrol in een kinderserie te spelen. Dat heb ik gedaan, en zo werd ik "moeder van de kinderen" in Buurman Bolle, van de VPRO. 

Nieuw beroep

Nieuw beroep Daarna heb ik her en der kleine rolletjes gespeeld, ook in soapseries. Ondertussen had ik mijn eigen theatergroep samengesteld en speelde ik voorstellingen in theaters en op scholen. 

In 1993 schreef ik mijn eerste boek “Van huilen krijg je dorst”, dat uitgeverij Lemniscaat graag wilde uitgeven. 
Ik ben toen meer gaan schrijven, maar had ook nog de theatergroep waar ik mee speelde. Dat werd wel erg veel, en op een gegeven moment heb ik besloten om niet meer iedere dag in de bus te zitten op weg naar een theater of school toe, maar me te richten op het schrijven. Een goede keus! Ik vind het heerlijk om achter mijn bureau te zitten en mijn eigen verhalen te verzinnen. En soms schrijf ik een toneelstuk, zodat ik toch nog wel met theater bezig ben. En soms doe ik een leuk klein dingetje in het theater. Als het maar niet elke dag hoeft! 
Met mijn enkels is het na de operatie redelijk goed gegaan, ik kon weer lopen. Bepaalde dingen moet ik niet meer doen, zoals voetballen in het gras, of een teamsport, zoals volleyballen, of basketballen. Het risico dat er iemand tegen mijn enkel aankomt is te groot, en dan gaat het meteen weer mis. Maar ik kan nog heel veel! Hardlopen in het bos, zwemmen, of schaatsen met hoge harde schoenen aan. En soms eens een boot-tochtje met mijn twee broers en zus, die inmiddels ook geen kleine kinderen meer zijn!

Rara wie ben ik?

Rara wie ben ik? En heel soms haal ik ook nog wel eens kattenkwaad uit. Zo af en toe nog op een belletje duwen… heerlijk!